Het konijn denkt dat hij minder waard is dan anderen, is vaak bang en heeft last van faalangst. Het konijntje kruipt het liefste weg in een hoekje en zal er niks van zeggen als er iets gebeurt wat hij niet leuk vindt. Bij het gedrag van het konijn hoort het gele petje.
De pestvogel vindt zichzelf geweldig; alle anderen deugen niet en hij bepaalt zelf wel wat hij doet. Hij roept wat hij er van vindt en scheldt iedereen uit, zonder er rekening mee te houden dat schelden best wel zeer kan doen. Bij dit gedrag hoort het zwarte petje.
Het aapje probeert contact te krijgen door met de pestvogel mee te doen en overal een grapje van te maken. Het aapje neemt niets en niemand serieus. Alles en iedereen is stom, dat vindt hij eigenlijk ook van zichzelf. Een aapje heeft vaak niet door dat er niet wordt gelachen om zijn grapjes, maar dat hij wordt uitgelachen om zijn uitsloverij. Bij het gedrag van het aapje hoort het rode petje.
De tijger doet normaal en gedraagt zich als een kanjer. Hij komt voor zichzelf op zonder anderen bang te maken. De tijger geeft zijn mening, komt uit voor zijn gevoel en neemt anderen en zichzelf serieus. Het gedrag van de tijger wordt gekoppeld aan het witte petje.